18 december 2009, jaargang 53, nummer 25
Artikel 005050
In memoriam: Pieter van Kampen Levenslang onderhorig aan het Koninkrijk Ad de Boer Op 6 december stierf Pieter van Kampen, 63 jaar oud. Predikant van de NGK Vlaardingen, 23 jaar lid van de Opbouwredactie, maar vooral: geliefde man van Nelly Boot, vader en opa voor zijn (klein)kinderen en vriend van velen, uit alle windstreken van de aarde. En daarin en daar bovenuit kind van God en kind van het Koninkrijk.

Pieter van Kampen, 1946 – 2009.
Dat Pieter 63 jaar zou worden, sprak bij zijn geboorte op 8 maart 1946 – twee maanden te vroeg en drie pond zwaar – niet vanzelf. Maar hij kwam zijn moeizame levensstart in de couveuse goed te boven. Na zijn schooltijd in Eindhoven ging hij, ondanks zijn toen al grote belangstelling voor geschiedenis, Engels studeren in Utrecht. Daar maakte hij de breuk in de kerk mee, die hem in de latere Nederlands Gereformeerde Kerken deed belanden. Toen vanuit die kring het initiatief werd genomen voor de start van de Reformatorische Bijbelschool in Zeist, was Pieter daarbij. Jarenlang was hij er docent, vooral in vakken als niet-christelijke godsdiensten en zending. Hij trok de aandacht van zijn studenten naar Gods werk wereldwijd en heeft zo bij een aantal van hen de liefde voor de zending wakker geroepen. Enthousiast kon hij vertellen over zijn leerlingen of over jongeren die hij in l’Abri de weg wees, die ergens in de wereld in Gods Koninkrijk aan het werk waren.

Koninkrijk
Daarmee hebben we volgens mij de rode draad in Pieters leven te pakken. Hij was ‘zijn leven lang onderhorig aan het Koninkrijk’ zoals hij zijn vrienden van het EO-programma Deze Week een jaar geleden schreef. Niet om zichzelf daarmee op de borst te slaan (dat was hem vreemd), maar om de gesprekken tijdens ons afscheidsetentje af te leiden van zijn ziekte en te richten op de dingen die er volgens hem echt toe doen. Pieter was gegrepen door de machtige beweging van Gods Geest over de wereld: van de eerste christengemeente in Jeruzalem tot de recente opwekking op een eiland voor de Schotse kust. Overal zag hij God aan het werk: op de Utrechtse koffiebarboot van Youth for Christ, waar hij na zijn studie aan de slag ging, in zijn gemeenten in Wageningen en Vlaardingen en aan de einden der aarde: in Noord-Korea en Nepal, in Oezbekistan en Oman, in Peru, Sri Lanka, India, China en die tientallen andere landen die hij bereisde om te zien hoe Gods Koninkrijk zich er baan breekt, vaak door lijden heen.

Geloofsgetuigen
Voor dat werk van God in de wereld wilde hij zijn medechristenen uit de soms zieltogende kerk in het Westen de ogen openen. Daarover maakte hij EO-programma’s en schreef hij boeken en artikelen, waarvan vele in Opbouw: niet met een paar ruwe grote pennenstreken, maar uitvoerig, beeldend, met veel details. Hij nam je mee: je rook de Hindoevuren in India, je zag de gevangenen in de Noord-Koreaanse kampen afgebeuld worden, je hoorde het zingen van de Chinese christenen. Want we moesten weten wat God wereldwijd deed en wat de duivel probeerde te verhinderen: ‘Dat hebt u toch zeker wel gezien, Here, wat ze uw kinderen aandoen!’ Daarom vulde hij de lijst van geloofsgetuigen uit Hebreeën 11 aan met de levensverhalen van al die gelovigen waar het op catechisatie niet over ging: de Russisch-orthodoxe Johannes von Kronstadt, bisschop Basilius uit Cesarea en al die onbekende, kwetsbare en onooglijke kinderen van God uit Azië, Afrika en Latijns-Amerika, die voor hem de groten in het Koninkrijk waren.

Daarmee stopte hij niet, toen hem in februari 2008 een dodelijke ziekte werd aangezegd. Hij bleef met een niet te temmen inzet werken: zijn woorden over het Woord dat de wereld in gaat, moesten de wereld in. Tegelijk wist hij dat dat niet van hem afhing, en dat de Geest zijn spoor trekt, los van wat Pieter van Kampen deed. Daarom ook kon hij het prima hebben, als niet al zijn programma-ideeën of artikelen (vooral die met een schier eindeloze woordenstroom) ongeschonden de eindstreep haalden. Hij kon er goed tegen als vrienden of collega’s hem afremden in wat hij met zijn kenmerkende zelfspot zijn ‘verbale incontinentie’ noemde. Hij leerde van de Indiase christenen ontspanning: als ik dat boek over de kerk in India niet af krijg, is het kennelijk voor God niet zo belangrijk. De Heer regeert!

Jezus Christus
Inderdaad, de Heer regeert. Pieter was gegrepen door het Koninkrijk, omdat hij gegrepen was door Jezus Christus, de Koning van dat Rijk. Hij had Hem al vroeg in zijn leven in Schotland leren kennen als zijn Verlosser en Heer. Om Hem draaide het in zijn leven en werk. Want, zo schreef Pieter als inleiding in zijn prekenbundeltje, ‘als Hij zo is als de Bijbel zegt, dan is niemand in de hele wereldgeschiedenis het meer waard om te worden geloofd, gehoorzaamd, nagevolgd en geprezen’. Over Hem preekte en schreef hij, tot in de laatste weken van zijn leven. Wat Gods Woord over Jezus vertelde, was daarbij doorslaggevend. Daarom kon de doorgaans vriendelijke Pieter zo fel uit de hoek komen – ‘bedriegers, charlatans’ - , als het beeld van zijn Heer werd vertekend of verbleekt. Ongeacht of dat door New Agers van velerlei slag of door vrijzinnigen in oude of nieuwe jasjes gebeurde. Dan was hij de herdershond die blafte en soms zelf beet, omdat zijn Meester werd aangevallen.

Kerk
Hoe wijd Pieters voeten en ogen ook over de wereld gingen, daarmee werd het werk in de kerk hier in Nederland voor hem geen klein vaderlands gedoe. Dat het daarin net als wereldwijd om Jezus ging, verbond de wereldkerk en zijn plaatselijke gemeente. Hij gaf zich helemaal, in prediking en pastoraat, in het vergrijsde Vlaardingen evenzeer als daarvoor in Wageningen met zijn vele studenten. In ons laatste gesprek vertelde hij enthousiast over de missionaire ritselingen in Vlaardingen. En zijn catechisanten zeiden: ‘Je kon aan hem merken dat hij heel veel van ons hield’.

Kerkelijke vergaderingen waren niet zijn lust en zijn leven. Maar als hij geroepen werd tot werk in het kerkverband (regionaal en landelijk), nam hij blijmoedig zijn verantwoordelijkheid op zich. Voor de moeizame samensprekingen met de deputaten van CGK en GKV in de jaren negentig bleek Pieter niet gebakken. De kerkpolitieke manoeuvres die hij ervoer, maakten hem kwaad. Na weer een nieuw requisitoir tegen de NGK’ers in de beklaagdenbank, was het voor Pieter genoeg. ‘Nu weet ik hoe een Sanhedrin werkt’.

Ontreddering
Hoezeer Pieters blik ook de verte inging, hij had tegelijk oog voor de mensen dichtbij: gemeenteleden, vrienden, collega’s, cameramensen, geluidstechnici en kosters, zelfs toevallige voorbijgangers op straat. Hij opende gemakkelijk zijn hart, vroeg naar hun persoonlijk wel en wee en blééf dat doen, vaak jaren later nog.

Het grootste deel van zijn leven ging hij zijn weg met vreugde, maar aan ‘het kwaad’ (zo bleef hij het noemen) van de echtscheiding dat hem na 25 jaar huwelijk overrompelde, ging hij bijna ten onder. De ontreddering die zich toen van hem meester maakte, maakte dat hij haast niet verder kon. In alle onzekerheid over hoe het verder zou gaan, probeerde hij zich het ‘de Heer kent de zijnen’ en andere woorden van God toe te eigenen. Die God heeft hem niet onder laten gaan en hem later met Nelly nieuw geluk gegeven.

Aarden vat
Ook de onbehandelbare longkanker die hem bijna twee jaar geleden trof, sloeg hem niet van zijn voeten. ‘Het komt er nu op aan dat ik me ook zelf aan de woorden van de Heer die ik anderen zo vaak hebt doorgegeven, vastklem’, zei hij. En dat heeft hij gedaan. Hij verlangde naar genezing, ‘maar ook als God een andere weg met mij gaat, dan is Hij nog de Heer, de Almachtige, die goed is en te prijzen tot in eeuwigheid’. Wie hem de laatste maanden ontmoette zag een vermagerd, broos mensenkind: een aarden vat. Met daarbinnen een schat die niets aan glans verloor en waarvan hij bleef uitdelen.

Vol en vruchtbaar
Pieter heeft zijn laatste tijd op aarde uitgekocht. Zijn tekort aan adem verhinderde hem niet preken te maken, studies af te ronden, artikelen te schrijven, verhalen te vertellen. Zijn laatste maanden waren zoals zijn hele leven: hij zaaide het Evangelie, hij zaaide boeken, programma’s, woorden. Maar boven alles zaaide hij zichzelf: in gesprekken met jongeren, studenten, gemeenteleden en zoveel anderen. Naar het woord van zijn Heer: ‘het zaad dat zijn de kinderen van het Koninkrijk’. Hij stierf naar de mens gesproken te vroeg: 63 jaar oud, nog maar zo kort samen met Nelly, nog zo vol plannen om boeken te schrijven, de zending in te gaan. ‘Het smaakte zo naar meer’, zei zijn vriend Fred Blokhuis in de begrafenisdienst. Maar wat was zijn leven vol en vruchtbaar: voller en vruchtbaarder dan dat van heel veel andere christenen.

Pieter wilde graag blijven leven, maar zag ook uit naar de ontmoeting met zijn Heer. ‘I know you, Lord’, zal hij, zo veronderstelde Fred Blokhuis, omhoogkijkend tegen Hem gezegd hebben, toen hij op zondag 6 december vanuit het Avondmaal in één keer kon doorlopen naar Jezus zelf. Hij zag ook uit naar de ontmoeting met Gods kinderen. Duizenden had hij er op aarde ontmoet, uit meer stammen en volken dan waarvan de meesten van ons ooit hebben gehoord. Maar, zo citeerde hij tegenover mij zijn geleerde voorganger Johannes Verkuijl, ‘de grote schare die niemand tellen kan, heb ik nog tegoed’.

Zie ook www.opbouwonline.nl. Beluister daar de begrafenisdienst, het afscheidsinterview met Pieter van Kampen op de EO-radio en zijn laatste twee diensten in Vlaardingen (Zoek op www-artikel 004655). Of lees het interview met Pieter en Nelly van Kampen en een selectie uit Pieter’s vele artikelen in Opbouw.
© 2007-2014 Persvereniging Opbouw